Eersel 2 Mariakapellen


1e kapel

 

Omstreeks 1825 werd het Brabants Studenten Gilde van Onze Lieve Vrouw opgericht. Dit studentengilde bezocht in de vakantie periode allerlei plaatsen in de provincie. Hun verblijf had dikwijls de bouw van een kapelletje tot gevolg. Eersel was in 1943 de plaats die het "Brabants Studentengilde"neerstreek Voordat het gilde op kamp ging tekende de inmiddels vermaarde architect J.H.A.Bedaux een ontwerp. De heren K. Bullens en J. Bedaux denken met plezier terug aan dit verblijf in Eersel. Zijn eerste na aankomst was het vinden van een geschikte locatie. Na die gevonden te hebben werd contact opgenomen met de pastoor en de grondeigenaar. Daarna werden de bouwmaterialen bij elkaar gesleept en verschillende ondernemers bleken gulle gevers. De kapel is een eenvoudig stenen gebouwtje met pannen gedekt. De frontgevel waarin de ingang zich bevindt, is even doorgetrokken tot boven het dak in driehoekige vorm. Op de top is een ijzeren kruis geplaatst. Het muurwerk is in zijn geheel gewit. Dit gebeurde in de avonduren bij het licht van een stal lantaarn . Toen de burgemeester kwam controleren of de verlichting wel voldoende verduisterd was i.v.m. de oorlogssituatie werd hem meteen een kwast in de hand gedrukt en ontkwam hij er niet aan een bijdrage aan het werk te leveren op verzoek van pastoor Aelen verleende de heer K. Bullens de nodige assistentie bij de bouw. In eerste instantie werd een gipsen Madonna uit de pastorie in de kapel gezet. Later is deze vervangen door een uit klei door K. Bullens vervaardigd beeld dat helaas door baldadigheid is gesneuveld. Later is aan de binnenzijde in de muur een gedenksteen geplaatst met de volgende tekst. "Van de 39 Eerselse jongemannen die overzee hun plicht deden, sneuveld op 19 juli 1949 Jacobus Josephus Blox 19 aug.1926 Bidt voor hem.     Bron: langs 's Heeren wegen


dorpskern Wintelre   Kapelletje aan de Hoef klik hier!

 


 

2e kapel   Deze kapel  staat op de historische Markt in Eersel

Eersel is een gemeente in de Kempen, gelegen ten zuidwesten van Eindhoven. Haar oude kern met zijn typische Kempense woningen, hardstenen dorpspomp uit 1864 en boterlinde is deels gaaf bewaard gebleven en tot beschermd dorpsgezicht uitgeroepen. In de veertiende eeuw kende Eersel een geleidelijke ontwikkeling van akkerdorp tot baandorp met een bescheiden handelscentrum en een duidelijke marktfunctie. Op de grens van wat nu Markt en Hint heet werd een kapel gebouwd. Toegewijd aan Maria moet ze al vroeg "aen de Plaetse" hebben gestaan waar deze aansloot op de MariŽnstraat. een naam die voar het verbindingswegje tussen plaatse en Dalemse Dijk al omstreeks 1325 voor komt. Het was de weg naar het hof, Eerseis "kasteel". Wat de huidige kapel op het marktveld betreft beschikken we over historische gegevens. Op het hof woonde in het midden van de veertiende eeuw een edelman. Dirck HaengrefIs geheten. Het moet zijn wens geweest zijn de kleine kapel te vervangen door een grotere. Alhoewel hij de verwezenlijking van zijn plannen niet meer heeft mogen beleven. heeft hij aan het einde van zijn leven daarvoor de middelen beschikbaar gesteld. Henricus van Eyck. heer van het Hooghuis in Duizel en in feite zijn buurman. heeft HaengrefIs plannen toen nader uitgewerkt. Hij stelde een aanvullend kapitaal ter beschikking. Beide kapitalen bestonden in een aantal mudden rogge ten behoeve van de speciaal aangestelde rector van de kapel, die met de rente daarvan in zijn levensonderhoud kon voorzien. Blijkens een afschrift van de in het Latijn gestelde stichtingsakte welke berust in het archief van het bisdom 's-Hertogenbosch, zou in 1464 deze kapel zijn gesticht. Door wie ze gebouwd werd weten we niet. Het uiterlijk van het gebouwtje wijst op een regionale en ambachtelijke laatgotische bouwtrant, waarbij baksteen sporadisch is afgewisseld door natuursteen. Karakteristieke elementen zijn het steile dak, de steunberen, de spitsboogvormige ingangspartij en de afdekking van de ramen, het spitse klokkentorentje. de druiplijsten, de vrij ranke verhoudingen en het houten tongewelf. Stenen zullen van leem in de omgeving zijn gebakken.

 De kapel werd toegewijd aan de Heilige Maagd Maria. Voorts aan de H.Catharina, de H.Antonius Abt en de H.Nicolaas, patroonheiligen respectievelijk van de "Grote Gilde", van de landbouwers en van de reizigers en kooplui. Na voltooiing van de bouw richtte Hendrik van Eyck een verzoek aan Ludovicus van Bourbon, prins-bisschop van Luik, om de kapel te (doen) wijden en de rechten en plichten van een aan te stellen rector te willen regelen. Bepaald werd dat een seculiere clericus drie missen per week moest opdragen en dat er behalve op de feestdagen van de patroonheiligen op zondag geen missen mochten worden gelezen. Als er in de kapel geofferd werd moest dit geheel ten goede komen aan de pastoor van de moederkerk. De stichting mocht dus niet strekken ten nadele van de parochiekerk. Bovendien werd bedongen dat de kapel na elke mis diende te worden gesloten opdat er geen koophandel in werd bedreven en er geen honden of varkens binnen zouden kunnen komen. De rector moest in de parochie van Eersel of Duizel zijn verblijf houden en in voorkomende gevallen de pastoor van Eersel assisteren. Het begevingsrecht van het "eeuwig kerkelijk beneficie" berustte bij de heer en wettelijke bezitter van het Hooghuis te Duizel. Deze bepalingen zijn gedateerd 2 augustus 1464. Kort daarop zal de kapel door de suffragaanbisschop zijn ingewijd.

 De eerste rector was Ghiselbertus, een zoon van Henricus van Eyck. Tot aan de Reformatie is de kapel bedehuis gebleven. De noodzaak een kapel te stichten als doch¨ter van de parochiekerk zal in Eersel niet hebben bestaan. De problemen die er zijn geweest om de diensten in de kapel gaande te houden, wijzen erop dat de parochianen er de voorkeur aan gaven naar hun moederkerk te gaan. Omstreeks 1600 stichtte de toenmalige gemeentesecretaris een Fonds, waaruit de koorzangers konden worden betaald voor het zingen van het lof. Het lofboek met gezangen dat in 1590 voor de kapel werd samengesteld door Arnoldus van Esch, kanunnik van Sint Jan te Utrecht en rustend pastoor van Duizel, is bewaard gebleven en werd ontdekt in het archief van het bisdom Haarlem. Het was in die tijd gewoonte dat de schout en schepenen onder de toren in de kerk vergaderden. Vermoedelijk heeft de vroedschap al in een vroeg stadium de kapel hiervoor gerieflijker bevonden. Toen in 1629 de openbare uitoefening van de katholieke eredienst werd verboden, bleef de vroedschap de enige gebruiker van de kapel. Langzamerhand zal ze dienst zijn gaan doen als gemeentehuis en is er een verbod gekomen om haar te gebruiken voor het uitoefenen van de eredienst, alhoewel ze hier¨toe vermoedelijk niet direct door de Stadsen aan de katholieken onttrokken zat. zijn geweest. Blijkens een rekest aan de Raad van State, gedateerd 15 september 1654, is de kapel dringend aan reparatie toe. Behalve dat het torentje bouwvallig was, waren alle planken van het dak vergaan. Uit de mededeling dat geen nagel meer zou houden, blijkt dat dit toen al voorzien was van leien. Er lag een voorstel de kapel te dekken met Hollandse pannen. In 1660 werd aan de Raad van State verzocht haar als "regthuys" te mogen gebruiken, waartoe verbouwingen nodig waren. Bewaard gebleven dorpsreglementen uit de achttiende eeuw bepalen dat de "komme" (het archief) in de kapel moest worden bewaard en de secretaris daar zijn kantoor moest houden. Landmeter Hendrik Verhees tekende in 1788 de kapel met eigentijdse ramen en een zijdeur aan de kant van de Markt. Om het gebouwtje meer geschikt te maken voor de functie van raadhuis werd een aan¨tal verbouwingen uitgevoerd, de laatste in 1919 door G.Dobbe. Ook had het op een gegeven moment de nevenfuncties van cachot en bewaarplaats voor de brandspuit. Bij de verbouwing in 1919 werd het oostelijke gedeelte van de kapel ingericht als raadszaal en werden in de overige ruimte een verdiepingsvloer en een trap aangebracht en dienst¨ruimten ingedeeld, waaronder kamers voor de burgemeester en de secretaris met zijn assistenten. Zo kreeg de kapel neogotische ramen met zandstenen dorpels in zestiende-eeuwse trant.

 Pas in 1957, na de bouw van het nieuwe raadhuis, schonk het gemeentebestuur de kapel weer aan de parochie terug. Er werd een geldinzameling gehouden ten behoeve van restauratie, uitgevoerd met steun van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. De uit 1919 daterende raamopeningen werden weer dichtgemetseld, deels met behoud van de zandstenen elementen, die in het zicht werden gelaten om de geschiedenis van de kapel te illustreren. Het gebouwtje werd toen weer ingericht als Mariakapel. De wijzerplaat in de zijgevel onder de dakvoet bleef herinneren aan het gebruik als raadhuis. We zien een eenbeukig laatgotisch bakstenen zaalgebouwtje met driezijdige sluiting. Het steile zadeldak met schildeinden is met leien gedekt en wordt gesierd door een dak¨ruiter als klokkentorentje, waarin een klokje dat in 1713 werd gegoten door Mamees Fremy. De dakkapellen, op oudere foto's nog zichtbaar, zijn verdwenen. Tussen de vensters bevinden zich steunberen die op de hoeken van de topgevel overhoeks geplaatst zijn. In deze westelijke gevel met bakstenen vlechtingen bevindt zich de ingang tot de kapel. Het interieur, aangekleed met een neobarok altaartje en kleurige gebrandschilderde ramen, is overkapt door een houten tongewelf met geprofileerde en deels beschilderde houten ribben. De bogen die dwars over de kap liggen zijn tegen de wanden nog ruim een meter doorgetrokken en eindigen op ingemetselde consoles. Trekbalken in het gewelf met schoren en sleutelstukken ontbraken oorspronkelijk, hetgeen geleid heeft tot het uitwijken van de muren. Pas later zijn houten trekbalken en ijzeren trekstangen aan¨gebracht. In 1948 herdacht Eersel haar twaalfde eeuwfeest, het 300-jarig gebruik van de kapel als raadhuis, de 25-jarige hereniging van de dorpen Eersel, Duizel en Steensel en de af100p van de oorlog. Bij die gelegenheid schonk de burgerij enkele gebrandschilderde ramen van de Maastrichtse glazenier Daan Wildschut. We zien de H.Odrada die de heilige linde plant met onderaan het wapen van Brabant en de heilige Engelbert die Eresloch (Eersel) aanbiedt aan de H Willibrordus. Beneden zien we het wapen van de abdij van Postel. Het volgende raam in het midden toont Sint Willibrord, zetelend als patroon van Eersel met een verkleind kerkmodel in de hand. Beneden het wapen van Eersel. Een ander raam toont Hertog Jan Hl die Eersel tot vrijheid verheft met onderaan het wapen van Duizel. Op een volgend raam aanschouwen we de stichter van de kapel, Henricus van Eyck, weergegeven als supervisor. In zijn hand zien we de plattegrond van het bedehuis. Achter hem zijn werklieden bezig met de bouw. In de spitsboog de heiligen waaraan de kapel is toegewijd. Vervolgens een "oorkonderaam" met een korte samenvatting van de geschiedenis van de kapel. Hier hersteld Mgr. Mutsaerts met zijn wijding het bedehuis in ere, na de overdracht van de gemeente in 1957. Dit raam vermeld tevens dat het door de heer Hanegraef geschonken is wegens zijn huwelijk in deze kapel met mevrouw Rouppe van de Voort. Tot slot een raam dat feiten uit de Tweede Wereldoorlog herdenkt: een fusillade en de bevrijding. Eťn van de gebrandschilderde ramen, voorstellende een vrouwfiguur als personificatie van Eerseis glorie en welvaart, is na de restauratie van de kapel in 1957 niet meer terug geplaatst en bevindt zich momenteel in een raamwerk op de zolder van het nieuwe gemeentehuis. Op haar hoofd draagt de vrouw een mand met fruit, in haar schoot koren. In de achtergrond van de voorstelling heeft Wildschut eindproducten en motieven verwerkt, ontleend aan diverse Eerselse ambachten en industrieŽn, waaronder de sigaren- en borstelindustrie.

Mgr. Mutsaerts heeft de kapel op 26 mei 1958 opnieuw ingezegend onder de titel "Onze Lieve Vrouw van de Kempen". Het oorspronkelijke, verdwenen Mariabeeldje werd bij die gelegenheid vervangen door een barok exemplaar, afkomstig uit een begijnenwoninkje in Lier. In 1964 werd ook dit beeldje met de gouden kroontjes gestolen. Enkele dagen later werd het ergens in de bossen weer teruggevonden, zij het licht beschadigd. In processie werd het opnieuw naar de kapel op de Markt teruggebracht. Echter niet voor lang, want eind 1975 werd het beeldje wederom ontvreemd. Momenteel bevindt zich in de kapel een replica, vervaardigd door broeder Harrie Boelaars. De Rotary Club Eindhoven Kempenland begiftigde de Mariakapel met zes nieuwe wandarmaturen en een kroonluchter. In 1983 werden nog enkele dringend noodzakelijke reparaties aan de dakconstructie uitgevoerd. De kapel is rijksmonument en vormt door haar ligging op de met klinkers geplaveide Markt binnen de oude kern van Eersel een sterk beeldbepalend element en een duidelijke karakteristiek. Dergelijke kapellen zijn er in het verleden veel meer geweest, vooral op plaatsen die ver van een kerk waren gelegen. We noemen Opwetten, Nijnsel, Westelbeers, Blaarthem, Zeelst, enz. In een aantal gevallen werd zo'n kapel in de negentiende eeuw uitgebouwd tot kerk. De kapel aan het Eerselse marktveld wordt momenteel nog gebruikt voor speciale vieringen, muziekuitvoeringen en trouwplechtigheden. Het dagelijkse onderhoud geschied vanuit de parochie. Bron: Langs 's-Heren Wegen